stukje 7 - burgerlijkheid
Mijn beste vriendin begon ongeveer acht jaar terug over haar angst voor de burgerlijkheid, nou moet ik zeggen dat zij ook wel uit een relatief burgerlijk leventje komt gerold dus ik begrijp wel hoe ze dat mis zag gaan. Ze had ook een vriend, een huis en een aanrechtblad. Ze was in principe klaar voor de rest van haar leven. Herman Brood, of Andy Warhol, of allebei zeiden: Niets is zo bourgeois als de angst om burgerlijk te zijn. Ik heb zelf niet een hele fundamentele angst gehad voor de burgerlijkheid, maar ik heb wel lang geloofd dat het leven op een dag saai zou worden. Nou ben ik misschien pas op een derde van mijn leven, dus er kan nog van alles gebeuren, maar saai was het tot nu toe nooit.
Toch is het denk ik voor veel beginnend dertigers een belangrijk thema, kies je voor de burgerlijkheid of het vrije leven? Voor stabiliteit of voor reuring? Wil je een man, een vrouw, een mens, een huis, een kind, of moet je op vrije voeten blijven? En dan? Een bus? Een camper? Of een huis in Paraguy?
De zin van Warhol dan wel Brood betekent denk ik zoiets als: je kan je nooit ontdoen van de burgerlijke moraal, zelfs je ervan af willen zetten is je verhouden tot wat redelijk is. Je bekommert je dan nog altijd om wat wél de bedoeling is. Daarnaast is het misschien onmogelijk om echt buiten de burgerlijkheid te treden, de vanzelfsprekendheid van sociale normen zit zo diep in alles verweven dat er buiten staan misschien meer een illusie is.
En het is toch ook opvallend dat mijn vriendin uit Watergraafsmeer met haar (schijnbaar)hetero ouders die gewoon nog samen zijn in hun mooie huis, waar de vriendin haar jeugdkamer nog heeft, nou precies de gene is die zo bang was burgerlijk te zijn. Die angst heb je minder nodig als je leven vol met andere wendingen en obstakels zit.
Zelf kom ik niet uit een typisch burgerlijk nest, met mijn vreemde vader, woongroep situatie en midden in de HIV wereld was het nooit ècht kalm. Ik heb wel eens verlangd naar de burgerlijke rust. De angst voor burgerlijkheid is denk ik op de eerste plaats een privilege. Kennelijk heb je de mogelijkheid burgerlijk te worden. Daaronder verstaan we dan zoiets als: kinderen krijgen, trouwen, een huis kopen… En met name dat laatste is in de huidige woningmarkt een voorrecht dat nog maar weinig jonge mensen zich kunnen veroorloven. De vriendin in kwestie, die inmiddels haar man, aanrechtblad en huis verloren is kan dit beamen. Maar ook trouwen is voor veel mensen in veel landen nog helemaal niet mogelijk, laat staan saai.
Maar ik gok dat de angst niet zit in het bezitten van een huis, maar in het vastzitten aan dat huis. En nog erger, de man die bij het huis hoort. Dat je langzaam invoegt in de samenleving waartegen je je op zoveel vlakken zou willen afzetten. Zelf zit ik bijvoorbeeld in een fase waarin er soms zinnen uit mijn mond komen zoals: Misschien moeten we maar kopen, dan draaien we tenminste mee in de woningmarkt.
Als ik zoiets zeg, kleurt er een stukje van mijn ziel kots groen. Want eigenlijk zeg ik: Ik moet het kapitalistische spel meespelen waarbij winst zoveel belangrijker is dan wonen. Alleen een huis kopen zodat ik meedoe in de giftige race naar de verrotte top. Zodat ik later weer een ander huis kan kopen, een huis waar ik ook echt graag zou willen wonen. Ik zou toch liever niet mee doen, en zeker niet aan de kant van de huizenbezitters… Ooit was ik een kraker, ooit zat ik in een illegale studentenwoning, ooit sliep ik op banken bij vrienden met een rugzakje vol kleren. Deed ik de afwas als bedankje voor weer een nachtje logeren. En nu denk ik na over huizen, overdrachtsbelasting en hypotheekrenteaftrek. Ik was nooit van plan zo rijk te zijn. Ik was nooit van plan meer te bezitten dan een tent of misschien onze knusse gammele vouwwagen. Mijn angst is niet het burgerlijke maar het kapitalisme dat zich in je wortelt, het spel dat je verplicht moet spelen. Zelfs als je met je vreemde vrienden naar Paraguy gaat.
En ik speel het spel, al is het zoekend op het platteland van Friesland omdat de woningmarkt van Amsterdam mij eveneens uitgekotst heeft. Ik speel het spel in de minor league, op een plek waar je nog met één vast inkomen een gezin draaiende kan houden. Zodat mem lekker teksten kan schrijven tijdens dutjes en gestolen uren . Zodat we niet de kinderdagverblijven hoeven vullen met onze maaksels, maar na school een kopje thee en een koekje, een bakfiets en een labrador… Ik speel het spel. Ik ben, van buitenaf, in ieder geval al volledig burgerlijk gecorrumpeerd. En zo is het ook gewoon, als je kinderen krijgt heb je directe verantwoordelijkheden die verder strekken dan je eigen hachje. In mijn eentje was ik misschien wel in een caravan gaan wonen en had ik hier en daar, op een wijngaard in Italië, op het Franse platteland, dan had ik reizend geld gesprokkeld, dan had ik… Wie weet. Maar met het krijgen van kinderen wordt je nog veel dieper in het systeem vast gezogen. School, tandartsafspraken, consultatiebureaus, en dat vaste contract wordt dan ook wel een verademing. Dat je tenminste weet dat als de oudste op circusles gaat, je dat volgend jaar ook echt nog kan betalen.
Wanneer mensen bang zijn burgerlijk te worden zijn ze, denk ik bang dat het leven vanzelfsprekend wordt, dat de dagen routinematig voorbij zullen schuiven zonder dat je het idee hebt dat je zelf ècht leeft. Nu zitten daar geloof ik twee kanten aan, het kan een individualistische, neoliberale kant opschieten waarbij we allemaal het onderste uit onze eigen kan moeten halen, waarbij me-time een must wordt en klassenbewustzijn verdwijnt in een stormwind van leven met jezelf in het nu.
Aan de andere kant is er misschien een reëler, ander probleem met burgerlijkheid, maar wat precies? Heidegger noemt dit probleem denk ik Das Man, een soort Het Men, de grote egale brei van mensen waarin we opgaan in ons dagelijks leven. Das Man is een sfeer van burgerlijkheid en vanzelfsprekendheid. We leven er allemaal altijd al in. Das Man is de sociale structuur waarin ons doen en laten en de gedachten die we daarover hebben gevormd worden. We verliezen ons gemakkelijk in het alledaagse leven, en daardoor ervaren we het bestaan niet meer als eigen. Authenticiteit betekent niet dat je moet ontsnappen uit Das Man, maar dat je je er bewust van bent en verantwoordelijk mee omgaat. Het probleem van het anonieme ‘men’ maakt dit heel duidelijk, vind ik.
Ik ben klassenouder, dat betekent op de vrije school dat ik tussen de juf en de ouders sta. Ik maak schoonmaakroosters voor wie wanneer het klasje schoonmaakt, ik zorg dat er op feestdagen broodjes worden gebakken, eieren worden verstopt en de klas wordt versierd. Dit is best een taak, aangezien de vrije school onnoemelijk veel feestdagen heeft en ouderparticipatie nogal hoog in het vaandel staat. Maar goed, ik ben klassenouder geworden. En mijn mede-klassenouder en ik houden wel van een drankje af en toe, hier en daar. En toen kwamen wij op het lumineuze idee om bij ouderavonden niet alleen kruidenthee te schenken, maar een flesje wijn mee te nemen. Tijdens de winter misschien een pannetje glühwein op te zetten in het lokaaltje… voelde ook wel enigszins antroposofisch aan. Aangezien alle ouders op die avonden toch al een oppas moeten regelen en samen de hort op zijn leek het me geschikt er ook een klein beetje een feestelijkheid van te maken. Toen mijn mede-klassenouder dit in principe bottom-up-ouderinitiatief bij de juf neerlegde was haar reactie hakkelig, zoiets hoort namelijk niet, wat zal men ervan denken… etc.
Goed, dus zonder negatief te zijn over deze super lieve kleuterjuf, wil ik het toch als voorbeeld gebruiken. Ze vroeg zich namelijk volgens mij niet af wat zij er zelf van vond, ze heeft ook niet aan de directeur gevraagd wat hij ervan vond, er is geen enquête uitgezet om te kijken wat men er gemiddeld van vond. Maar toch had ze een gevoel, een gevoel over het drinken van wijn bij ouderavonden, een gevoel dat ze in het Engels omschrijven als: frowned upon. De vraag is dan, wie fronst er? Men. Men zou ervan gaan fronzen. Men zou er meningen over hebben, en voor dit anonieme men zijn we gezwicht.
Nu is het met de ouders goed komen, de traditie om met een fles port en wat campingkopjes buiten voor school nog een stiekem sigaret te roken na de ouderavond is geboren bij het zwichten voor het men.
Het bijzondere is natuurlijk dat iedereen op school in principe voor de wijn had kunnen zijn, maar door de anonimiteit van het men voelen we ons allemaal geneigd niet buiten de paden te treden. Bovendien is er geen discussie te voeren met een onzichtbaar anoniem men. Dus leggen we ons erbij in stilte bij neer.
Bij ons thuis gaat er in vaak geen dag voorbij dat ik niet bij mezelf denk: weer een dag voorbij. En dan niet op een fijne manier, alsof het bijna zomervakantie is en je zeven bent, maar op een manier die voelt als geleefd worden in plaats van leven. De dagen schieten achter elkaar door, ontbijt maken, trommels vullen, vier paar tanden poetsen, tachtig nagels knippen, wolwas, witte was, gekleurde was, opvouwen, wegleggen, wegbrengen, ophalen, fysiotherapie, tandarts, consultatiebureau, ouderavond, verjaardag, koekjes bakken, bedden verschonen… enzovoorts. En het komt maar zelden voor dat ik stilsta en mijmer. Dat ik de tijd neem bezinnend te denken, of zelfs om na te denken wie ik eigenlijk zelf nog ben te midden van al het geraas en gehaast. Waar het men mij naartoe en vanaf beweegt, en of ik daar misschien toch nog eens kritisch op moet reflecteren. Dan ga ik volledig op in Das Man, of de burgerlijkheid, dan verlies ik mezelf in de massa.