Stukje 5 - Verschilligheid

Wat is het medicijn tegen verzuring? Hoe ontkom je aan deze dans der ouderdom? Hoe zorg je dat je niet een verschrompeld zuurpruimpje wordt, maar de moed er een beetje in houdt? Nou ik zeg niet dat ik het ultieme antwoord heb, maar als moeder van drie kleine kinderen met een man die zijn uit de hand gelopen ADHD het liefst verpakt in veel troep en drama, heb ik wel wat vergallende kilometers gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat ik een soort ervaringsdeskundige ben.

Bij mij begonnen de eerste symptomen van verzuring zo rond mijn eenendertigste. Één van de grote problemen van verzuring is dat je humor begint te verliezen, of beter gezegd dat de dingen hun humor ten opzichte van jou verliezen. Toen bijvoorbeeld Meneer Sjoemel, mijn lieftallige man, voor de zoveelste keer de tijd vergat en mijn kind te laat naar school bracht, had ik kunnen lachen, mijn schouders op kunnen halen en door kunnen gaan met mijn dag. Dat had ik op mijn achtentwintigste ook nog wel gedaan. Maar die nonchalance, dat je gewoon kan denken, ‘wat een sufferd is het ook', raakt dus op. 

Het is niet meer grappig als je voor de tweeduizendste keer vieze sokken op moet rapen, of je vierde wollen trui in de was is gekrompen, of wanneer de hond weer binnen heeft gepoept en de robotstofzuiger er doorheen is gereden en de hele woonkamer en het kut apparaat zelf besmeurd zijn. 

Ooit had ik ook om al die dingen nog wel kunnen lachen. Omdat al die domme dingen ook best grappig zijn. Maar op de een of andere manier slijt de humor van die dingen af en blijf je over met vervelend gezucht of gesteun. Zelfs kwaad worden is eigenlijk veel beter dan verzuren. Het gaat voelen alsof mensen de pik op je hebben, of alsof de wereld express jou lastig valt. Je krijgt gedachten zoals ‘heb ik weer’. Als je dat denkt, dan zit je er al best diep in, ben ik bang. Sorry-Sjaak dacht dat denk ik vaak, met die sigarettenpeuken bijvoorbeeld. Hij leefde in een wereld waarin zijn stoepje door iedereen, expres vergalt werd. De feiten waren dat iemand een peuk liet vallen, niet zo netjes maar ook niet expres om Sorry-Sjaak te treiteren. En de peuter op het balkon had niet de pik op hem, maar begreep gewoon nog niks van zwaartekracht.

De humor raakt op, de lichtheid van de dingen wordt overschaduwd door een gevoel van zelfmedelijde. Het lukt niet meer goed je schouders op te halen, je verleert het onbekommerd zijn. Hoe meer mensen richting de volwassenheid groeien hoe meer ze de dingen zwaar opnemen. Ik heb hiervan een voorbeeld: 

Mijn moeder en haar man hebben kippen, en een van die kippen kreeg een kuiken, maar dat kuiken was zwak en klein. Daarom werd het kuiken verstoten. Wij kwamen bij hen op bezoek en het verstoten kuikentje werd in een schoenendoos met wat stro en een warmtelamp gezet. Yara, mijn kind, gaf het kuiken een naam: Quichje om precies te zijn, of Kiesje, wie zal het zeggen. Yara was drie, die kon nog niet schrijven.

Een tijdje later, toen Quichje wat aangesterkt was, mocht ze terug bij de kippen. De man van mijn moeder, opa voor mijn kinderen, nam Yara mee de heuvel af naar het kuikentje om te kijken hoe het ging. Hij was een beetje zenuwachtig omdat het best zou kunnen dat het kuikentje niet meer zou leven als ze opnieuw verstoten was. Tot zijn vreugdevolle verbazing ging het goed met Quichje, het beestje trippelde vrolijk rond en werd door de andere kippen geaccepteerd. Hij zei: Kijk Yara, Quichje leeft nog, en het gaat goed met haar!

Yara keek opa aan, haalde diens schouders nonchalant op en zei: Iedereen gaat een keer dood, opa.

Dit bedoel ik maar, kinderen tillen niet al te zwaar aan de dingen. Behalve natuurlijk aan naden in sokken of de honderden stenen in hun jaszakken. Maar ze tillen niet aan de dingen waarvan je verzuurd. 

En als de lichtheid van de dingen slijt, dan is dat best lastig weer te verhelpen. Ik ben er zelf al behoorlijk lang mee bezig. En als ik heel eerlijk ben, gaat het nog steeds voor geen mallemoer.

Niet alleen de humor slijt, maar ook de onverschilligheid. En hoewel onverschilligheid een slechte reputatie heeft, is het in wezen een belangrijke houding ten opzichte van allerlei dingen. Zoals meneer Sjoemel.

Dit idee komt niet uit het niets, ik denk dat ik altijd al wel een soort verlangen had naar een iets meer onverschillige houding, maar op mijn trouwfeest werd dit verlangen gesterkt. Op een trouwfeest zeggen mensen meestal dingen. Dingen over het stel, over hun relatie of hun jeugd en ook over hoe je dat hele getrouwd zijn aan zou kunnen pakken. Veel tips in die laatste categorie zijn prima, niet heel nuttig, en zoals Acda en de Munnik het zingen: Ze zullen het kleuren met de geur van eigen falen. 


Maar op mijn trouwfeest sprak Victor Kal, mijn lievelingsleraar van de universiteit. De man die me overigens ook gemotiveerd heeft om Die Beiträge van Heidegger te gaan lezen. In het Duits. Terwijl ik helemaal geen Duits kan. En me leerde hoe je Sjabbat kan houden, hoe je concentratie vasthoudt en rust opbrengt. Hij begeleidde mijn masterscriptie over wraak en vergeving, dronk eindeloos kopjes thee met me terwijl ik aarzelde tussen filosofen en hun boeken, en twijfelde tussen gedachten en conclusies. Hij sprak dus ook op mijn trouwfeest, en vertelde mij en Meneer Sjoemel dat voor een lang en goed huwelijk, je een zekere mate van onverschilligheid nodig hebt. Omdat hij een beetje oud is, en er wijs uitziet, en praat met een lichte maar belangrijke stem, is het makkelijk hem te geloven. Het valt stil als hij begint, men wil hem graag begrijpen. Je geeft hem, nog voor hij spreekt, het voordeel van de twijfel. En als hij dan zoiets zegt, zo’n woord gebruikt dat normaal heel negatief gebruikt wordt, maar nu iets belangrijks wordt, dan neem je dat serieus. 

Ik moet toegeven dat ik in essentie een totaal verschillig persoon ben. Ik ben echt zelden onverschillig geweest over iets, zolang ik me kan herinneren trek ik me van de meeste dingen gewoon ontzettend veel aan. En dat is ook vaak goed. Want onverschilligheid tegenover leed is bijvoorbeeld naar, daar wordt je rechts van. Of onverschilligheid tegenover ongelijkheid. Dat is ook verschrikkelijk. Maar mij laat bijna niets onverschillig, dat kan wel wat zwaar worden. 

Ik voel me bijvoorbeeld totaal niet onverschillig tegenover meningen van anderen. Het doet me veel te veel wat mensen van me denken. Dat betekent overigens niet dat ik me daardoor altijd aangepast gedraag. Want dat is toch weer een andere kunst, je gedrag aanpassen. Toch doet het me wat. Als iemand iets negatiefs over me zegt dan vergeet ik dat nooit meer. Echt nooit. En ik heb eigenlijk een slecht geheugen dus het zegt wat. 

Bovendien voel ik me niet onverschillig over dat mijn laminaat niet perfect ligt, dat mijn gordijnen een beetje scheef zijn en dat er witte cirkels in mijn houten tafel zitten. Een ander persoonlijk probleem rondom het altijd maar verschillig zijn is dat ik ook slordig en ongeduldig ben. Ik ben een soort rommelige perfectionist. Het maakt me uit dat het niet perfect is, maar ik heb absoluut geen tijd en zin om het helemaal perfect te maken. Ik naai zonder patroon, zonder te spelden zelfs, en erger me dan voor altijd aan het eindresultaat. Ik teken zonder te schetsen, klus zonder te meten, verf zonder te testen. En het resultaat boeit me dus alsnog ontzettend. Het zou helpen als ik òf onverschilliger was, of veel preciezer. 

Wat wel heel mooi is aan mijn verschillige houding ten opzichte van alles is dat het ook de positieve kant op werkt. Een zonsopkomst bijvoorbeeld, heeft mij nog nooit koud gelaten. Een lente ochtend, de eerste sneeuwklokjes, dieprode herfstblaadjes, zachte kinderstemmen vanaf een andere verdieping, een theemok die groot genoeg is voor al mijn thee, een trui die zo zacht is dat ik ermee wil versmelten, hoe een kerkklok klinkt wanneer je je rustig voelt, of hoe sneeuw knisperd onder je voeten. Al die dingen kunnen mij aan het huilen maken van geluk. Ik voel me ongelooflijk betrokken bij iedereen om me heen, ik hou zoveel van mijn vrienden dat het bijna niet in mijn dagen past, zoveel van mijn kinderen dat ik ze regelmatig terug in mijn buik zou willen stoppen om ze weer het meest dichtbij me te dragen. 

Ik hou zo ontzettend veel van dit moment, steeds van dit moment, dat het nooit voorbij mag gaan. En wanneer er een nieuw moment komt is dat weer zo buitengewoon bijzonder dat ik het zou willen vastpakken, plastificeren en inplakken. Ik wil zo lang ik me kan herinneren al niet ouder worden, puur omdat het afgelopen jaar dan voorbij is. En het afgelopen jaar was altijd bijzonder. Dit voelde ik dus al toen ik vijf werd, en me realiseerde dat ik dan nooit meer vier zou zijn.

Met mijn kinderen is dat gevoel nog vertienduizenddubbelt, ik wil ze opslaan als baby, ik wil ze opnieuw voor het eerst zien, voor het eerst ruiken, maar ook bij me houden als dreumes, als peuter, als kleuter. Ik wil elke dag weten hoe ze groot worden en nooit vergeten hoe ze nu zijn. Wanhopig probeer ik alles te onthouden, klamp ik me vast aan fotoboeken, babykleertjes, zelfs eerste plukjes afgeknipte haren. Ik leef in een constante staat van verlangen, nostalgie en melancholische weemoed. En toch kan ik me ook onvoorstelbaar verheugen. Ik trek me de toekomst net zo aan als het verleden en het heden, een vreemde steeds evenveel als een bekende, ik filter nauwelijks tussen dichtbij of ver weg. Werkelijk alles kan me interesseren. Ik schreef ooit een paper van acht pagina’s over niets. En een ander van vijf over een dettol zeepdispenser. Echt alles heeft de potentie mij te fascineren.

Ik heb een halve nacht naast een club waarin mijn vrienden danste gepraat met een man die zendmasten bouwt. Toegegeven, we waren high als een kanarie, maar nog steeds denk ik vaak aan hem en zijn vreemde baan en nog steeds vind ik het een verrijking om meer over zendmasten te hebben geleerd. Heb je bijvoorbeeld ooit weleens nagedacht over dat die met dynamiet opgeblazen worden als ze niet meer nodig zijn? Ik had daar nooit aan gedacht.

En gister ontmoette ik Nick, en Nick zit in het transport. Hij was bang dat ik hem misschien niet cool zou vinden omdat hij naar eigen zeggen ‘niet zo goed met woorden is’. Maar Nick heeft natuurlijk helemaal niet nagedacht over hoe slecht ik eigenlijk met transport ben. Ik heb niet eens een handtas. Hoewel we naar een beetje een literair gebeuren gingen heb ik vooral ontzettend genoten van Nick en hoe hij over zijn werk praatte. Beginnend bij dat ik vroeg wat hij dan zoal transporteerde. Waarop hij met de normaalste toon van de wereld zei: steigermateriaal en insecten. Ik moest drie keer checken of ik hem goed verstond, maar dit zijn de dingen die Nick vervoerd. Niet tegelijk overigens, want in tegenstelling tot steigermateriaal moeten insecten bij hele specifieke temperaturen vervoerd worden. Bij twee, vier, zeven of dertien graden om precies te zijn. En de insecten transport business is geen populaire business, door die graden maar ook doordat veel andere vrachtwagens niet met insecten erbij willen rijden. Vlees en vis wordt bijvoorbeeld vaak ook bij twee of vier graden vervoerd, maar mensen willen daar geen risico op insecten bij. Ik zou hier nog pagina’s lang kunnen schrijven over Nick's baan maar het was alleen bedoeld ter illustratie. Omdat ik alles zo verdomd interessant en belangrijk vind.

Hoe dan ook, qua verzuring heb je dus juist een zekere mate van onverschilligheid nodig. Het zou me niet zoveel moeten doen wanneer Meneer Sjoemel opnieuw vergeten is het vuilnis buiten te zetten. Ik weet toch dat hij zo is? Waarom trek ik het me zo aan? Als het verder niet gevaarlijk is of heel gemeen, waarom doet het me dan nog wat? Mijn automatische reactie is: omdat hij het beloofd had! Maar weet ik dan inmiddels niet dat hij dat soort beloftes helemaal niet kan waarmaken? En waarom is dat precies erg? Hoe krijg je die onverschilligheid terug als de verzuring optreedt? De eerste stap in mijn onderzoek begint zoals altijd bij het internet. Ik typ: Hoe wordt je onverschillig, Google suggereert stress of trauma. Nou voel ik me wat stress en trauma betreft op zich wel voldaan. Maar ik denk toch dat Google onverschilligheid alleen negatief opvat. Wikihow blijkt er wat neutraler in te staan, die geven een aantal stappen richting onverschilligheid. Waaronder: bekijk je leven als een soort film, maak van mensen personages en weet dat het niet belangrijk is. Met dat laatste kan ik niet zoveel, maar het leven als een film helpt me denk ik wel. Ik moet mezelf en mijn leven herschrijven, het liefst met wat meer humor dan ik van nature ervaar. Gelukkig schrijf ik!

Mijn partner kan dan een soort Joey achtig figuur zijn, uit Friends. Knap, charmant maar ook ongelooflijk onhandig. Denkend dat hij Frans spreekt terwijl hij Je te coup Claud zegt. Hij versiert vrouwen links en rechts, maar heeft nooit een agenda gehad. Ja, Joey komt al aardig in de buurt, maar er moet nog iets bij. Hij is slimmer dan Joey, sluwer ook, ik denk aan Daniel Cleaver uit Bridget Jones. Slik, slim, snel, gevat. Heel erg knap en altijd in voor een avondje uit. Zachte liefde, warme dagen samen thuis, dat lukt hem niet zo goed. Iemand dichtbij laten, de binnenkant van zijn ziel aan iemand ontvouwen, dat kan Daniel Cleaver niet. 

Dat lijkt best op Meneer Sjoemel, nu ik: Ik ben Ruby Thewes uit Cold Mountain, grappig genoeg dezelfde actrice als Bridget Jones. En eigenlijk zit er ook tamelijk wat Bridget Jones in mij. Ik ben kordaat, wil de dingen alleen doen, ben handig en klungelig, hard, liefdevol tegen vrienden, maar bang in de liefde. Ik kan hekken bouwen, dieren verzorgen, wonden schoonmaken, maar ècht kwetsbaar zijn, dat is eng. Daar krijg je me niet zo snel. Zeker niet tegenover een man. Zeker niet tegenover een man als Daniel Cleaver. 

En nu wordt de vraag, passen deze Ruby Thewes en Daniel bij elkaar? Daar moet ik nog eens over nadenken. Misschien kan het wel, misschien maken ze wel een kans. 

Het leven zien als een film en de mensen als personages is een handig trucje om de zwaarte er een beetje af te halen, maar ik wil me toch ook verder verdiepen in de onverschilligheid. Ik ben immers geen Ruby en Meneer Sjoemel geen Daniël. Bovendien moeten de dakdekkers die vandaag al vier keer mijn jongste uit diens slaap hebben gehaald, niet met dakdekken, maar met keiharde studio 100 liedjes, ook een soort karakters worden en dat lukt me nog niet. Ik kan me geen film voorstellen waarin dit een leuke scène wordt. Misschien als je er heel veel in knipt en je probeert met de edit juist een soort gevoel te schetsen van hoe een schrijvende moeder diens uiterste best doet ondanks huilende kinderen, dakdekkers en Gert Verhulst. Maar die film wil ik niet zien. Laat staan leven.

Volgende
Volgende

Stukje 4 - De Dalai Lama