Stukje 1

Toen ik drieëndertig jaar geleden in Amsterdam geboren werd, was het steenkoud. Mijn moeder wikkelde mij in wollen dekens en deed me een zacht mutsje op. Een mutsje dat over mijn oren ging met een touwtje dat onder mijn kin vast kon worden gemaakt. Ik kreeg warme sokjes aan en werd op een schapenvacht neergelegd. Ik ben bovendien geboren met twaalf vingers, dus daar moest meteen iets aan gedaan worden. Een dun touwtje werd om mijn twee zesde vingers gebonden en steeds strakker aangetrokken tot het kleine fliebertje in babyhuid verpakt weefsel eraf viel. De dokters zeiden dat het geen pijn deed. Ik heb drie dagen lang van de pijn gekrijst en gehuild.

Op mijn drieëndertigste verjaardag stuurt mijn vader mij een whatsappje met het verhaal van de baby fliebers die eraf moesten en mijn moeder mij een e-mail met het verhaal van de koude januari nachten waarin we samen bij de kachel zaten. Mijn vader en mijn moeder zijn heel verschillende mensen, ten opzichte van elkaar en ten opzichte van mij. Mijn moeder voedde mij op, hield me vast als ik huilden, leerde me hoe ik een goed mens kon worden en wat ik moest doen als ik fouten maakte. Mijn vader leerde mij automerken, hoe je aan je huiswerk ontsnapt, en hoe eenzaamheid eruit ziet. Mijn vader zag ik niet veel, soms in een weekend en tijdens zomervakantie. Op die vakanties maakten mijn ouders veel ruzie, veel te veel. 

Inmiddels ben ik zelf een ouder en begrijp ik vanuit elk perspectief hoe hard ze hun best deden en hoe onvermijdelijk het is fouten te maken. Maar ik weet ook hoe belangrijk het is om niet met al je fouten èn die van je wederouder in de middle of nowhere in Noorwegen te gaan zitten. Dus wij gaan nooit naar Noorwegen.

Ik werd geboren in Amsterdam West, in de Elisabeth Wolffstraat. Ik kan me daarvan natuurlijk verder niets herinneren maar soms denk ik dat de koude winter waarin ik voor het eerst buiten de warme buik van mijn moeder moest leven voor altijd in me zit. Ik slaap nu zelfs midden in de zomer nog met een kruik en onder wollen dekens. Ik ben misschien nooit volledig opgewarmd. Ik weet dat mijn moeder ‘s nachts met mij bij een gaskacheltje zat, om ons warm te houden. De brandende droge warmte van zo’n kachel en de bijtende kou van de lucht om ons heen moeten ergens in mij zijn geworteld. 

Later, toen ik drie was, zijn we naar Amsterdam Oost verhuisd, daar heb ik de rest van mijn jeugd gewoond. Van mijn eerste drie jaar daar kan ik me maar twee dingen herinneren: Het eerste is dat er een inbreker was. Toen ik ouder was, zes ofzo, heb ik verzonnen dat hij een horloge van mijn moeder had gestolen. Ik geloof niet dat dat waar is, maar in die tijd stalen inbrekers nog geen laptops of smartphones, maar voornamelijk dingen zoals klokken, sieraden en horloges. Dus het was geen gekke gedachte. Ik heb van mijn moeder gehoord dat in de echte versie van mijn herinnering mijn broer naar de wc was gegaan en daar de inbreker tegenkwam, dat hij toen naar mijn moeder was gewandeld en zei: ‘mama er staat een vreemde man in ons huis’. 

Mijn moeder, dapper als ze is, is in alleen haar onderbroek het bed uitgestapt om de man eens even te vertellen dat dit in ‘t geheel de bedoeling niet was. Mijn moeder keek de man recht aan en zei: Je mag kiezen, eruit via ‘t raam of de deur. Hij moet zo versteld hebben gestaan van mijn moeders eenvoudige daadkracht dat hij de benen nam en de deur koos. Volgens mij nam hij niets mee. Nog later vertelde mijn moeder dat ik tijdens dit verhaal nog niet eens geboren was. Toch is het mijn eerste herinnering. Herinneringen laten zich ook zelden belemmeren door zoiets arbitrairs als de fysieke werkelijkheid.

Dit verhaal is één van de verhalen die mij leerde hoe onverschrokken mijn moeder is.

Mijn andere herinnering aan de Elisabeth Wolffstraat is dat er een man boven ons woonde, in wezen woonde hij geloof ik onder ons maar dat doet ook niet ter zake. Hij heette meneer Dribbel. Misschien heette hij niet echt zo en heb ik dat ook verzonnen. Hoe dan ook was hij voor mij een meneer Dribbel en woonde hij boven ons. Hij was verschrikkelijk lief, en hij had een koektrommel met heerlijke koekjes erin. Mijn broer en ik kregen er soms één. Dat alles was helemaal goed behalve dat meneer Dribbel getrouwd was met mevrouw Dribbel, zij was in mijn beleving een soort gevaarlijk obstakel dat tussen mij en meneer Dribbel’s koektrommel in stond. Ik kan me niet herinneren waarom ik bang voor haar was, maar ik kan me wel herinneren dat ik leerde dat niet alle lieve mensen getrouwd zijn met andere lieve mensen. Èn dat tussen kinderen en hun koekjes altijd obstakels zijn.

Als ik nu terugdenk aan mevrouw Dribbel, vraag ik me af of ze echt zo kwaadaardig was. Misschien was er wel helemaal niks mis met haar behalve dat ze mij en mijn broer probeerde te beschermen tegen diabetes. Misschien was meneer Dribbel erg vervelend tegen haar en liet hij altijd zijn vieze sokken naast hun bed liggen. Dat mevrouw Dribbel daar gewoon een keer goed klaar mee was. En op een dag verzuurde. 

Het erge is dat ik me vroeger blindelings identificeerde met meneer Dribbel en ik nu zoveel redenen kan bedenken waardoor het nare mens dat mevrouw Dribbel was, zo is geworden. Je kan denken dat dat te maken heeft met mijn eigen volwassen worden, dat ik niet meer zo eendimensionaal naar mensen kijk. Maar dat is helaas niet de oorzaak. Ik ben gewoon zelf ook een beetje verzuurd. Ik verander stukje bij beetje in mevrouw Dribbel. Maar het is nog niet te laat voor mij. Ik ben dan wel verzuurd maar nog niet onherroepelijk. Soms wel zorgelijk. Door vieze sokken, snotpropjes, etensresten, poepstrepen in de pot. Ik ben verzuurd door de tweeduizendste keer dat hij zei: ik zal. En dat, in werkelijkheid ik-altijd-zou. 

En dat men nooit ‘altijd’ of ‘nooit’ mag zeggen in ruzies. Daar wordt ik zo nijdig van, alsof mensen na Wittgenstein 1 gestopt zijn met taal. Alsof ze niet begrepen hebben dat de taal een spel is, dat ALTIJD of NOOIT zoiets betekent als ‘in mijn beleving ontzettend vaak èn ik voel me niet gehoord, èn ik wordt er eenzaam van’. Hoe lezen die mensen poëzie? Hoe ervaren ze muziek? Als ze vergeten dat niet alles letterlijk is. Hoe verhouden ze zich tot spreekwoorden? En waarom mag het alleen niet in ruzies? Waarom mag je wel beloven iemand nooit te verlaten, of voor altijd aan iemands zijde te staan. Ik denk dat het belangrijk is dat de luisterende partij ook in een ruzie kan onthouden dat taal niet zo rechtlijnig is. Omdat ik je gewoon een beetje dom vind overkomen als ik roep dat je nooit de afwas doet, en jij zegt: niet nooit: twee jaar geleden op je verjaardag, toen deed ik de afwas.

Bovendien, mijn partner doet sommige dingen echt ALTIJD of NOOIT. Maar dan moet ik dat dus inpakken in zachte sliertjes taal, in woorden zoals: Mijn ervaring, of ik voel, of meer dan eens, of vaker wel dan niet.

Ik ben verzuurd door de leugens, de gebroken beloften, het stomme halfvolle glas water dat hij elke ochtend in de keuken laat staan voor het geval hij later nog dorst krijgt. En dat ik elke dag in de vaatwasser zet. Ik ben verzuurd door de keren dat de kinderen te laat op school kwamen omdat hij ze zou brengen. Mijn PH waardes schoten vandaag in ‘t specifiek op hol toen ik de wc beneden op de gang schoonmaakte en ontdekte dat daar honderden afgeschoren baardharen lagen. In het kleine wasbakje, geplakt op de wc bril, en op de donkere tegels van de vloer. De ergste: op de zijkant van de wc-pot waar hij met schroeven aan de grond vast zit. En had ik nou geweten dat iemand zich zou scheren in een wc hokje op de gang, dan had ik alles eerst gestofzuigd. Maar ik was met een nat doekje in de weer. Een nat doekje, een wc pot en honderden baardhaartjes. Dat acydeert mij verschrikkelijk.

Ik groeide op in een groot huis, samen met nog een gezin, we waren een soort woongroep maar dat woord kende ik toen nog niet. Alle vaders waren afwezig of storend. Dat is niet helemaal eerlijk, soms was het geweldig met mijn vader. Maar ik kan me bijna alle keren herinneren dat het geweldig met hem was. En nu ik zelf ouder ben, begrijp ik dat dat niet helemaal goed is. Soms zie ik dat systeem terug in hoe mijn kinderen naar hun papa verlangen als ze na vijf dagen alleen maar mama, eindelijk weer iets van papa mogen kijken op de laptop of hun tanden de hele ochtend niet hoeven poetsen. Of mogen lunchen met chocolade. Ook die momenten verzuren mij. 

Maar voor mijn kinderen zullen de goede herinneringen met hun vader veel te veel zijn om allemaal terug te kunnen halen. En dat is goed nieuws. 

Nadat ik in mijn woongroep opgegroeid was in een tumultueuze jeugd met veel dood en veel leven en veel liefde en ook tamelijk veel verdriet, ben ik gaan studeren, schrijven, kinderen maken en naar Friesland verhuisd. En dat is waar dit verhaal begint. Drie kinderen, een grote zwarte hond die Boontje heet en een huis met een tuin aan het kanaal, dat is de schets van de eerste scène van mijn zoektocht in het volwassen leven. Een leven gevuld met kleine kinderen, ouderavonden, consultatiebureaus, tandartsafspraken, ruzies en romantiek. Met honderden vieze sokken oprapen en nachten lang Mathilda voorlezen bij het licht van een zaklamp in de vouwwagen. 


Volgende
Volgende

De rups en de neushoorn